Zorgconsumenten.nl | home
Wetgeving
28.781
Affectieschade
Dit wetsvoorstel regelt de vergoeding van zogenaamde affectieschade. Bepaald wordt dat iemand die immateriële schade lijdt doordat degene met wie die persoon een affectieve relatie heeft, ernstig en blijvend gewond raakt of overlijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, recht heeft op een vergoeding.
Recht op een vergoeding wordt toegekend aan een beperkte kring van directe naasten van het slachtoffer. De hoogte van de vergoeding wordt niet door de rechter bepaald, maar wordt bij algemene maatregel van bestuur voor alle gebeurtenissen en voor alle rechthebbenden op hetzelfde bedrag gesteld.
Het voorstel ( EK 28.781, A) is op 22 maart 2005 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamercommissie voor Justitie heeft op 16 mei 2006 het eindverslag uitgebracht. De plenaire behandeling door de Eerste Kamer is op 12 september 2006 geschorst en werd voortgezet op 9 juni 2009. De minister van Justitie heeft de Eerste Kamer tijdens het debat toegezegd een brief en een concept- AMVB te sturen, waarna de behandeling kan worden voortgezet.
De commissie besprak op 3 maart 2009 de brief van de minister van Justitie van 9 februari 2009 over het rapport "Slachtoffers en aansprakelijkheid" en het kabinetsstandpunt over dit rapport (EK 28.781, G met bijlage ).
ingediend
6 februari 2003
titel
Aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in verband met de vergoedbaarheid van schade als gevolg van het overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten
Onderzoek
Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag van de Eerste Kamer of er onder naasten van slachtoffers die zijn overleden of ernstig letsel hebben opgelopen als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (verder naasten/nabestaanden te noemen), een behoefte bestaat aan (het recht op) vergoeding van affectieschade zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Affectieschade.
Auteurs; Akkermans, A.J., Hulst, J.E., Claassen, E.A.M., Boom, A. ten, Elbers, N.A., Wees, K.A.P.C. van, Bruinvels, D.J.
WODC, EMGO instituut
17 november 2008
Dit rapport bevat het verslag van het tweede deel van het onderzoek ‘Slachtoffers en
aansprakelijkheid’ dat in opdracht van het Ministerie van Justitie is uitgevoerd door het
Interfacultair samenwerkingsverband Gezondheid en Recht (IGER) van de Vrije Universiteit
Amsterdam in samenwerking met het WODC. Het eerste deel van dit onderzoek, de
‘Terreinverkenning’, had een meer algemeen karakter en werd in 2007 afgerond. Dit tweede deel
beoogt specifiek antwoord te geven op een aantal vragen dat speelt rond het wetsvoorstel
affectieschade dat in behandeling is bij de Eerste Kamer. In dit wetsvoorstel wordt een recht op
smartengeld toegekend aan een aantal categorieen naasten (van slachtoffers die ernstig en
blijvend letsel hebben opgelopen) en nabestaanden (van slachtoffers die zijn overleden) als gevolg
van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Deze vergoeding voor zogenaamde
‘affectieschade’ moet worden betaald door de aansprakelijke partij, in de praktijk betekent dat
bijna altijd door een particuliere aansprakelijkheidsverzekeraar. De hoogte van het bedrag zal bij
nadere regeling worden vastgesteld, waarbij vooralsnog wordt gedacht aan € 10.000. Het doel is
in de eerste plaats om erkenning en genoegdoening aan naasten en nabestaanden te verschaffen.
Compensatie staat op de achtergrond.
Het mogelijk maken van een vergoeding voor affectieschade wordt breed gesteund. Wel zijn
vanuit de Tweede en Eerste Kamer en in de juridische literatuur kritische kanttekeningen
geplaatst bij sommige aspecten van het wetsvoorstel, waaronder het voornemen om met een vast
bedrag te werken. Mede om deze reden is besloten tot het verrichten van dit onderzoek. Bij de
behandeling van het wetsvoorstel op 12 september 2006 bleek de Eerste Kamer de resultaten te
willen afwachten van dit onderzoek, waarvan de eerste fase op dat moment ongeveer halverwege
was. Naar aanleiding van dat debat is ook de vraag onderzocht of aan vergoeding van
affectieschade daadwerkelijk behoefte bestaat.
Het doel van dit onderzoek is dus om informatie te verschaffen die nodig is om het
wetgevingstraject voort te kunnen zetten. Daartoe werden de volgende onderzoeksvragen
geformuleerd:
1. In welke mate bestaat er onder naasten (van ernstig gewonde slachtoffers) en
nabestaanden (van slachtoffers die zijn overleden) behoefte aan het recht op
vergoeding van affectieschade?
2. Kan het vergoeden van affectieschade een positieve bijdrage leveren aan de
bevrediging van bij naasten en nabestaanden levende immateri?le behoeften?
3. Welke elementen uit het wetsvoorstel dragen bij aan de bevrediging van immateri?le
behoeften en welke niet (vast bedrag, hoogte van bedrag)?
4. Welke aspecten zijn van belang bij de daadwerkelijke uitkering van de vergoeding,
uitgaande van de bevrediging van immateri?le behoeften (manier en moment van
aanbieden)?
5. In hoeverre hangen de belangrijkste uitkomsten samen met:
- persoonlijke kenmerken (demografische variabelen waaronder financi?le positie);
- kenmerken van de relatie met het slachtoffer;
- kenmerken gebeurtenis (bijv. mate van verwijt);
- de tijd die sinds de gebeurtenis verlopen is?
Het onderzoek vond plaats door een vragenlijstonderzoek onder naasten en nabestaanden in
Nederland, alsmede door interviews met veertien naasten en nabestaanden in Belgie die onder
Belgisch recht een met vergoeding van affectieschade vergelijkbare uitkering ontvingen. In totaal
hebben 462 personen die behoorden tot de doelgroep (de kring van gerechtigden volgens het
wetsvoorstel) de vragenlijst ingevuld. Het ging om 391 naasten en 72 nabestaanden.
Met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag wijzen de resultaten van het onderzoek uit dat
naasten en nabestaanden in meerderheid een duidelijke behoefte hebben aan vergoeding van
affectieschade. Er zijn op dit punt geen significante verschillen gevonden tussen naasten en
nabestaanden.
Wat betreft de tweede onderzoeksvraag, of vergoeding van affectieschade een positieve bijdrage
kan leveren aan de bevrediging van immateriele behoeften, blijkt uit het onderzoek dat een grote
meerderheid zo’n positief effect inderdaad verwacht. Ook op dit punt zijn geen significante
verschillen gevonden tussen naasten en nabestaanden. Nog belangrijker voor hun verwerking van
het gebeurde dan de vergoeding van affectieschade vond men een soepele afwikkeling van de
financiele schade, dat de financiele schade wordt vergoed en dat de verantwoordelijke partij zijn
fout erkent (inclusief excuses/medeleven dader). Naasten en nabestaanden menen voorts dat
vergoeding van affectieschade eraan zal bijdragen dat behoeften worden vervuld die als zodanig
(nog) hoger worden aangeslagen (waaronder dat de verantwoordelijke partij zijn fout erkent) dan
de behoefte aan vergoeding van affectieschade zelf. In zoverre ziet men vergoeding van
affectieschade meer als een middel tot een doel, dan als een doel op zichzelf. Dit sluit goed aan
bij de doelstelling van het wetsvoorstel affectieschade, dat immers in de eerste plaats beoogt
erkenning en genoegdoening te verschaffen.
Met betrekking tot de derde onderzoeksvraag, in welke mate elementen uit het wetsvoorstel zoals
het vaste bedrag en de voorgenomen hoogte van € 10.000 kunnen bijdragen aan de bevrediging
van immateriele behoeften, geven de resultaten van het onderzoek het volgende beeld. De meeste
respondenten willen dat rekening wordt gehouden met hun individuele omstandigheden bij de
vaststelling van het bedrag voor vergoeding van affectieschade, en geven de voorkeur aan een
variabel of genormeerd bedrag boven een vast bedrag. Dit ondanks het besef dat dit aanleiding
kan geven tot lastige discussies en een langduriger afwikkeling. Naasten en nabestaanden
verschillen op dit punt niet significant van elkaar. In zoverre sluit het voornemen van de wetgever
om te werken met een vaste vergoeding voor alle gevallen, dus niet aan bij de voorkeuren van de
meeste naasten en nabestaanden. Tegelijkertijd vond men een soepele en vlotte afwikkeling van
de financiele schade het belangrijkst van allemaal, en gaf men aan dat lastige discussies over de
hoogte van het bedrag hun verwerking zouden belemmeren. Deze uitkomst staat op gespannen
voet met de vorige, omdat variatie in bedragen zoals gezegd tot lastige discussies en een
langduriger afwikkeling aanleiding kan geven.
Indien sprake is van een vast bedrag staat 45% van de respondenten neutraal tegenover een
hoogte van € 10.000, ruim 28% vond dit te laag en 8,5% te hoog. Ruim 13% koos ervoor bij deze
vraag geen antwoord in te vullen. Op dit punt doen zich wel significante verschillen tussen
nabestaanden en naasten voor: nabestaanden vonden € 10.000 vaker te laag in vergelijking met
naasten. Antwoorden op een open vraag naar een passende vergoeding voor de eigen situatie
ondersteunden dit. Naasten vulden gemiddeld een bedrag tussen € 10.000 en € 25.000 in en
nabestaanden gemiddeld een bedrag tussen € 50.000 en € 100.000. Deze resultaten in hun
onderling verband kunnen de conclusie dragen dat, in het licht van de omstandigheid dat het
geleden immaterieel nadeel zich nu eenmaal slecht leent om in een geldbedrag uit te drukken, de
voorgenomen hoogte van € 10.000 door een meerderheid niet als ongepast zal worden opgevat,
al liggen de eigen voorkeuren gemiddeld wel wat hoger. Dit althans voor wat betreft de categorie
naasten. Voor nabestaanden lijkt dit enigszins anders te liggen.
Indien bij nadere gedachtevorming over de modaliteiten van de vergoeding voor affectieschade
zou worden overwogen om een hoger bedrag toe te kennen aan nabestaanden dan aan naasten,
dan zouden de uitkomsten van het onderzoek daarvoor steun bieden. Geen steun werd gevonden
voor een eventueel onderscheid tussen verschillende categorieen affectieve relaties (zoals ouders
en kinderen, partners over een weer, broers en zussen). Er bleken geen significante verschillen
tussen deze relatiecategorieen, althans niet bij naasten. Het is niet uitgesloten dat deze verschillen
voor nabestaanden wel relevant zijn. Maar dit kon niet worden onderzocht, omdat de groep
nabestaanden te klein was om dit statistisch te kunnen toetsen. Over een eventueel onderscheid
op basis van de leeftijd van het slachtoffer bieden de onderzoeksresultaten geen uitsluitsel.
Voorts werd geen steun gevonden voor een eventueel onderscheid gebaseerd op de mate van
impact van het letsel op het functioneren van het slachtoffer (bijvoorbeeld al of niet
hulpbehoevend), noch voor een eventueel onderscheid gebaseerd op de mate van verwijt aan de
verantwoordelijke persoon/dader. Zowel een grotere impact van het letsel als een sterker verwijt
aan de verantwoordelijke persoon bleek wel gepaard te gaan met een grotere behoefte aan de
vergoeding van affectieschade en een grotere verwachte bijdrage aan de verwerking. Maar deze
factoren (impact letsel en verwijt) hadden geen invloed op de mate waarin een vast bedrag van
€ 10.000 te laag of te hoog werd gevonden, noch op het bedrag dat respondenten zelf invulden
als geschikt bedrag.
Met betrekking tot de vierde onderzoeksvraag, welke aspecten van belang zijn bij de
daadwerkelijke uitkering van de vergoeding, luidt de conclusie dat een vergoeding voor
affectieschade haar doel voorbij schiet indien zij niet op een doordachte wijze wordt aangeboden.
De uitkomsten van de Belgische interviews laten zien hoe pijnlijk een strikt zakelijke afhandeling
voor de betrokkenen is. Men heeft behoefte aan een persoonlijke manier van aanbieden met een
toonzetting waaruit medeleven blijkt, en dat men zich bewust is dat het hier om een mens gaat en
niet om een geval van blikschade. Over de wijze van aanbieding levert het onderzoek de volgende
aanbevelingen op:
• Om de doelstelling van de vergoeding van affectieschade veilig te stellen dient zij plaats te
vinden in een context van zorgvuldige communicatie met de gerechtigden.
• Trefwoorden daarbij zijn een persoonlijke toonzetting waaruit medeleven blijkt, dat betreurt
wordt dat er een fout is gemaakt/misdrijf is begaan, en het besef dat het om een schadepost
gaat met een bijzonder karakter.
• Voorts zou tot uitdrukking moeten worden gebracht dat de vergoeding slechts een
symbolisch karakter heeft omdat zij nu eenmaal geen echte compensatie kan bieden voor het
geleden immateriele nadeel.
• Schriftelijke communicatie lijkt hiervoor in het algemeen voldoende te zijn, maar afhankelijk
van de situatie kan een en ander ook door middel van een huisbezoek.
• Een brief van degene die persoonlijk verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schade
wordt in het algemeen positief gewaardeerd, een huisbezoek echter niet. Naasten en
nabestaanden van slachtoffers van een geweldsmisdrijf stellen echter ook een brief van de
dader niet op prijs.
• Aanbieding van de vergoeding dient plaats te vinden binnen een specifiek daarvoor te
definieren periode vanaf de datum van het ongeval.
• De afwikkeling van affectieschade dient bij voorkeur plaats te vinden in een apart traject, los
van de eventuele afwikkeling van financiele schade.
In het kader van de vijfde onderzoeksvraag werd onderzocht wat de invloed was van een groot
aantal variabelen zoals persoonlijke kenmerken (geslacht, leeftijd, opleiding, financiele positie),
relatiecategorieen (slachtoffer was kind, partner of ouder van respondent), ongevalscategorieen
(verkeer, arbeid, medisch, geweld), de mate van verwijt aan de dader en de tijd die sinds de
gebeurtenis verlopen is.
Er werden geen significante effecten van inkomenspositie en van geslacht gevonden op de
behoefte aan vergoeding van affectieschade, de verwachte bijdrage van de vergoeding van
affectieschade aan de verwerking, noch op de beantwoording van de vragen over de hoogte van
de vergoeding. Naarmate respondenten lager opgeleid waren, bleek de behoefte aan vergoeding
van affectieschade en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwerking iets groter (dit effect deed
zich voor onafhankelijk van inkomen). Ook bleek dat naarmate respondenten ouder waren, de
verwachte bijdrage van de vergoeding van affectieschade aan de verwerking iets hoger was, en
een bedrag van € 10.000 iets vaker te laag werd gevonden.
Binnen de groep naasten werden geen significante groepsverschillen gevonden tussen
relatiecategorieen, noch tussen ongevalscategorieen, met betrekking tot de belangrijkste
uitkomstmaten. Voor nabestaanden kon dit niet worden onderzocht, omdat de groep
nabestaanden te klein was om dit onderscheid te kunnen maken. Zowel voor naasten als voor
nabestaanden bleek een sterker verwijt aan de verantwoordelijke persoon/dader gepaard te gaan
met een grotere behoefte aan vergoeding van affectieschade en een grotere verwachte bijdrage
daarvan aan de verwerking. Voor naasten bleek daarnaast dat een grotere impact van het letsel op
het functioneren van het slachtoffer gepaard ging met een grotere behoefte aan vergoeding van
affectieschade en een grotere verwachte bijdrage daarvan aan de verwerking. Voor de overige
verklarende variabelen (tijdsverloop sinds het ongeval, aantal zorguren door naaste, omvang
financiele schade, hechtheid relatie ten tijde van het ongeval) werden geen significante effecten
gevonden.
Een onderzoek naar behoeften, verwachtingen en ervaringen van slachtoffers en hun naasten met betrekking tot het civiele aansprakelijkheidsrecht, 6 juli 2007. deel I
Organisaties: WODC, VUMC, EMGO instituut.
Auteurs: Huver, R.M.E., Wees, K.A.P.C. van, Akkermans, A.J., Elbers, N.A.
Samenvatting
Bij herzieningen van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht wordt er vaak veronderstellende wijze vanuit gegaan hoe slachtoffers en hun nabestaanden over een dergelijke herziening denken en in hoeverre het aan hun behoeftes tegemoet komt. Het zijn echter vaak niet meer dan hypotheses op basis waarvan nieuwe wetgeving mede vorm wordt gegeven. Hetzelfde geldt voor literatuur waarin kritiek op deze wetgeving wordt geuit. Doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de behoeften, verwachtingen en ervaringen van slachtoffers en hun naasten met betrekking tot het aansprakelijkheidsrecht.
Enerzijds richt het onderzoek zich op tamelijk concrete vragen die spelen rond het
wetsvoorstel vergoeding affectieschade. In de discussie rond het wetsvoorstel speelt onder
andere de vraag of het al of niet een goed idee is om te werken met een vaste vergoeding voor
de naasten van slachtoffers die ernstig letsel hebben opgelopen of zijn overleden. Anderzijds
richt het onderzoek zich op de meer algemene vraag wat slachtoffers en naasten willen
bereiken met het letselschadeproces en welke afwegingen zij in dat kader maken. Over de
behoeften, verwachtingen en ervaringen van slachtoffers met betrekking tot het
aansprakelijkheidsrecht bestaan de nodige veronderstellingen maar zijn nauwelijks empirische
gegevens voorhanden. Onder meer worden verschillende materiele en immateriele behoeften
van claimanten onderzocht, zoals financiele compensatie en erkenning. Daarnaast wordt
onderzocht hoe de letselschadeprocedure ervaren wordt en is er aandacht voor de vraag in
hoeverre de letselschadeprocedure voorziet in deze behoeften.
4.2.5. Slachtoffers van medische fouten
Zijn voor deze groep slachtoffers specifieke kenmerken aan te wijzen die van invloed zijn op
de verwachtingen, wensen en behoeften ten aanzien van het letselschadeproces?
Kenmerkend voor de categorie medische fouten is dat de relatie sterk wordt gekarakteriseerd
door afhankelijkheid en vertrouwen. “Je legt als patient je lot in handen van de arts en als het
fout loopt sta je als het ware voor een dichte deur.” Ook bestaat er een weinig inzichtelijke
grens tussen ‘normale’ complicaties en een medische fout. Het onderscheid is door een leek
vaak niet te maken. Gesteld werd dat de verwachtingen van slachtoffers in dit verband soms
te hoog gespannen zijn, in die zin dat slachtoffers snel van mening zijn dat als er iets is
‘misgegaan’ er sprake moet zijn geweest van een medische fout. Vanuit dit perspectief valt te
overwegen of het zinvol is ook mensen te bevragen die ongelijk hebben gekregen.
Een ander relevant aspect is dat het bij de medische fouten om schending van een
inspanningsverplichting gaat. Je moet als slachtoffer bewijzen dat de arts een verwijtbare fout
heeft gemaakt. Bij deze categorie van ongevallen zal vaker dan bij andere categorieen de
aansprakelijkheidsvraag betwist worden. Complicerende factor daarbij is dat de vraag of er
sprake was van een verwijtbare fout door een beroepsgenoot moet worden beoordeeld. Bij
slachtoffers ontstaat dan niet zelden het gevoel dat artsen elkaar in bescherming nemen.
Meer dan bij andere ongevallen lijkt het (eerste) contact tussen partijen en een correcte
bejegening van het slachtoffer een rol te spelen. Slachtoffers willen dat er wordt toegegeven
dat er iets fout is gegaan. Artsen zijn daarin veelal erg terughoudend omdat ze van hun
verzekeraar geen aansprakelijkheid mogen erkennen. Deze terughoudendheid lijkt overigens
niet altijd gerechtvaardigd, aangezien het artsen wel is toegestaan verontschuldigingen te
maken. Niettemin zal het voor een arts in de praktijk vaak lastig zijn een onderscheid te
maken tussen aansprakelijkheid erkennen en je verontschuldigingen maken.
Hoewel herkend werd dat slachtoffers geregeld stellen dat juridische stappen tegen artsen of
ziekenhuizen mede of zelfs primair worden ingegeven door de wens te voorkomen dat een
ander hetzelfde overkomt, werd ook gesteld dat de kosten van een procedure vaak een
belemmering vormen om een juridische procedure door te zetten. In de beleving van een van
de deelnemers treden andere motieven dan compensatie vooral op de voorgrond bij ouders
van jonge kinderen die slachtoffer zijn geworden van een medische fout.
De meeste slachtoffers zouden gewoon op zoek zijn naar compensatie en er niet naar streven dat de arts
persoonlijk wordt aangepakt. Iedereen maakt nu eenmaal fouten.
Met name bij deze categorie van slachtoffers van medische fouten dient in de kwalitatieve
interviews uitdrukkelijk de mate en beleving van het contact tussen slachtoffer en wederpartij
bevraagd te worden.
Nog steeds onduidelijkheden rond de Wet EPD
Auteur: Sjaak Nouwt, Medisch Contact, mei 2009
Op 19 februari heeft de Tweede Kamer het voorstel voor de Wet Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) aangenomen. Op 21 april startte de Eerste Kamer met de schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel.
De Wet EPD is geen zelfstandige wet, maar is een wijzigingswet die een hoofdstuk (2A ‘Elektronisch patiëntendossier’) toevoegt aan de al bestaande Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg (Wbsn-z).
Die Wbsn-z wordt tegelijkertijd hernoemd tot Kaderwet elektronische zorginformatieuitwisseling. Wat houdt het landelijke EPD precies in (en wat niet), welke rechten en plichten hangen daarmee samen en wat betekent dat voor artsen?
Het landelijke EPD
Er bestaat wel eens onduidelijkheid over de inhoud van het begrip EPD. Dat komt waarschijnlijk omdat het verschillend wordt geïnterpreteerd. Er zijn bijvoorbeeld EPD’s op lokaal en regionaal niveau, zoals de huisartsen- en ziekenhuisinformatiesystemen. Daarnaast wordt nu gewerkt aan de invoering van een landelijk EPD. De (toekomstige) Wet EPD geldt uitsluitend voor dit landelijke EPD.
Op het niveau van het lokale EPD bestaan er bronsystemen of brondossiers, zoals de patiëntendossiers bij de huisartsen. In de systematiek van het landelijke EPD blijven die brondossiers waar ze zijn: in het lokale informatiesysteem van de zorgaanbieder. Zij vormen de bron waaruit een selectie van gegevens wordt gemaakt (de professionele samenvatting) om die vervolgens landelijk te kunnen uitwisselen. Het landelijke EPD is dus eigenlijk niets anders dan een technische voorziening om professionele samenvattingen te kunnen uitwisselen. Het is een virtueel dossier. Het bevat een landelijke verwijsindex die aangeeft welke zorgaanbieder gegevens over een bepaalde patiënt heeft.
De verwijsindex wordt beheerd door een landelijk schakelpunt. Dat is het centrale knooppunt voor de landelijke uitwisseling van patiëntgegevens. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland, worden er in het EPD geen patiëntgegevens centraal opgeslagen.
Het ‘concept’ van het landelijke EPD bestaat in feite uit de toegang tot een verzameling professionele samenvattingen (in Engeland dan ook summary care records genoemd). Deze worden ingevuld per specifieke beroepsgroep of ziektebeeld en worden daarom ook wel ‘hoofdstukken’ genoemd. Minister Klink heeft aangegeven dat bij de invoering van het EPD wordt begonnen met twee hoofdstukken: het Waarneem Dossier Huisartsen WDH (voor huisartsen en waarnemers) en het Elektronisch Medicatie Dossier EMD (voor huisartsen, medisch-specialisten en apothekers). Daarna volgen vooralsnog alleen nog de hoofdstukken e-Spoed, e-Lab en e-Diabetes.
Er zijn twee soorten gegevens die via het landelijke EPD zullen zijn te raadplegen. Ten eerste de indexgegevens, die aangeven welke zorgaanbieders over medische gegevens van een patiënt beschikken. Ten tweede de patiëntgegevens. Dat zijn de medische gegevens die decentraal zijn opgeslagen in het informatiesysteem van de zorgaanbieder. De patiëntgegevens die deel uitmaken van het WDH zijn – niet meer en niet minder dan – een verslag en data van de huisartsconsulten van de laatste zes maanden of van de laatste vier consulten, een overzicht van de lichamelijke of psychische gezondheidsproblemen, een overzicht van de geneesmiddelen op recept die de cliënt gebruikt, een overzicht van eventuele allergieën en overgevoeligheden voor vooral geneesmiddelen en overige informatie die noodzakelijk is voor een goede behandeling of verzorging van de cliënt.
De Wet EPD
Op de patiëntgegevens die zijn opgenomen in de brondossiers (het lokale EPD) is de al bestaande wetgeving (met name de WGBO) van toepassing. Op de gegevens die worden opgenomen in het landelijke EPD is daarnaast ook de Wet EPD van toepassing. De WGBO is een algemene wet die dus geldt voor de lokale EPD’s en het landelijke EPD, terwijl de Wet EPD een bijzondere wet is die alleen geldt voor het landelijke EPD en die een aanvulling is op de WGBO.
De Wet EPD regelt de beschikbaarheid van de gegevens, de infrastructuur en de randvoorwaarden voor de elektronische uitwisseling van medische persoonsgegevens tussen zorgaanbieders op landelijk niveau. Deze creëert daarmee de juridische kaders voor de nodige voorzieningen van het landelijke EPD, zoals de instelling van het landelijk schakelpunt, de rechten van patiënten en de verplichtingen voor zorgaanbieders. Wat betekent dit voor artsen?
Rechten voor patiënten
De Wet EPD kent aan patiënten een aantal rechten toe, zoals het recht om bezwaar te maken tegen deelname aan het landelijke EPD en een recht op inzage.
Recht om niet mee te doen met het EPD
Een patiënt heeft het recht op volledige afscherming van de indexgegevens in de landelijke verwijsindex. Daardoor is niet zichtbaar welke zorgaanbieders er over medische gegevens van deze patiënt beschikken. Voorafgaand aan de invoering van het landelijke EPD hebben sinds 1 november 2008 inmiddels al 438.000 patiënten bezwaar gemaakt.1
De patiënt kan op drie manieren van dit recht gebruik maken. Ten eerste door daartoe een verzoek in te dienen bij het landelijk schakelpunt. Ten tweede via een voorziening van het landelijk schakelpunt (elektronische toegang via internet) waarmee de patiënt zelf zijn indexgegevens kan afschermen voor een zorgaanbieder of een categorie van zorgaanbieders. Ten derde kan de patiënt zich wenden tot het Klantenloket dat patiënten daarbij behulpzaam moet zijn. Dit loket zal door de uitvoeringsorganisatie van VWS, het CIBG worden beheerd.
Recht op inzage
Een patiënt heeft recht op inzage in diverse gegevens uit het EPD. In de eerste plaats is er een recht op inzage in de eigen indexgegevens. Zo kan de patiënt zelf zien welke zorgaanbieders kenbaar hebben gemaakt dat zij over zijn medische gegevens in een brondossier beschikken. Ten tweede heeft een patiënt recht op inzage in de centrale gebruiksregistratie. Dat is een logbestand waarin het landelijk schakelpunt vastlegt welke zorgaanbieder wanneer gegevens over welke patiënt heeft geraadpleegd en verstrekt. Hiermee kan een patiënt de gerechtigdheid van de raadpleging controleren.
Ten derde betreft het inzagerecht de medische gegevens die door een zorgaanbieder via het EPD beschikbaar worden gesteld. Dit recht heeft de patiënt ook al op grond van de WGBO maar is voor alle duidelijkheid ook in de Wet EPD opgenomen. Tot slot is er een recht op inzage in de decentrale gebruiksregistratie van de zorgaanbieder. In de decentrale gebruiksregistratie legt een zorgaanbieder zelf vast van wie hij welke gegevens aan welke andere zorgaanbieder heeft verstrekt of heeft opgevraagd via het landelijke EPD.
De Wet EPD voorziet verder in vier manieren waarop een patiënt deze rechten op inzage kan effectueren. Zo is inzage mogelijk via een voorziening van het landelijk schakelpunt waarmee de patiënt zelf (via internet, op een regenachtige zondagmiddag) zijn indexgegevens en medische gegevens elektronisch kan opvragen en raadplegen. Daarnaast kan een patiënt een inzageverzoek indienen bij de beheerder van het landelijk schakelpunt (Nictiz) of bij de zorgaanbieder. Ook kan de patiënt zich voor inzage wenden tot het Klantenloket.
Volgens de Wet EPD moet het landelijk schakelpunt tevens een voorziening aanbieden waarmee een patiënt zelf zijn indexgegevens en medische gegevens geheel of gedeeltelijk kan opslaan (downloaden).
Het is vooralsnog niet zo dat de decentrale brondossiers (de huisartsen- en ziekenhuisdossiers, dus de lokale EPD’s) voor patiënten via die voorziening toegankelijk zijn. Maar via een motie die is aangenomen door de Tweede Kamer kan de minister op grond van artikel 13hb Wet EPD ook voor regionale zorginformatiesystemen eisen dat patiënten elektronisch toegang moeten kunnen hebben tot hun medische gegevens en de loggegevens daarin.2
Verplichtingen voor zorgaanbieders
De verplichtingen voor zorgaanbieders zijn te onderscheiden in verplichtingen jegens het EPD en jegens de patiënt. De zorgaanbieder is verplicht om zijn eigen lokale informatiesysteem aan te sluiten op het landelijke EPD. De zorgaanbieder is voorts verplicht om indexgegevens van patiënten vast te leggen en bij te werken. De zorgaanbieder moet medische gegevens van patiënten vastleggen en bijwerken. De zorgaanbieder moet tevens op diens verzoek medische gegevens via het landelijk schakelpunt verstrekken aan een andere zorgaanbieder. Tot slot is de zorgaanbieder verplicht een decentrale gebruiksregistratie bij te houden van verstrekkingen via het EPD aan andere zorgaanbieders en van het gebruik van voorzieningen van het landelijk schakelpunt in het algemeen.
Verplichtingen zorgaanbieders ten aanzien van het EPD:
- eigen lokale informatiesysteem aansluiten op het landelijke EPD;
- indexgegevens van patiënten vastleggen en bijwerken;
- medische gegevens van patiënten vastleggen en bijwerken;
- op diens verzoek medische gegevens via het landelijk schakelpunt verstrekken aan een andere zorgaanbieder;
- een decentrale gebruiksregistratie bijhouden van verstrekkingen via het EPD aan andere zorgaanbieders en van het gebruik van voorzieningen van het landelijk schakelpunt in het algemeen.
Uit dit overzicht volgt opmerkelijk genoeg dat een zorgaanbieder volgens de Wet EPD niet verplicht is om het EPD te raadplegen! Een zorgaanbieder doet daar er echter wel verstandig aan om te voorkomen dat achteraf komt vast te staan dat hij bepaalde belangrijke informatie heeft gemist. Anderzijds mag een zorgaanbieder ook weer niet uitsluitend afgaan op de gegevens in het EPD maar blijft hij altijd een algemene onderzoeksplicht houden.
Daarnaast mag een zorgaanbieder niet zo maar indexgegevens of medische gegevens opvragen uit het EPD, maar alleen als dat noodzakelijk is voor een goede behandeling of verzorging van zijn patiënt en die patiënt daartegen geen bezwaar heeft gemaakt bij de zorgaanbieder of bij het Klantenloket. Voorts mag een zorgaanbieder uitsluitend de indexgegevens en medische gegevens opvragen uit het EPD als de patiënt hem daartoe toestemming heeft gegeven.
De Wet EPD bevat ook een aantal nieuwe verplichtingen voor de zorgaanbieder jegens de patiënt. Voordat de zorgaanbieder de allereerste indexgegevens vastlegt, is deze verplicht om zijn patiënt algemene informatie te verschaffen over het EPD inclusief informatie over de voor- en nadelen ervan.
Ook op verzoek van de patiënt moet de zorgaanbieder deze algemene informatie geven. Daarbij moet de zorgaanbieder de patiënt tevens wijzen op diens recht om bezwaar te maken tegen deelname aan het EPD. De zorgaanbieder is voorts verplicht om de patiënt inzage te geven in de door hem in het EPD opgenomen gegevens en in de door hem bijgehouden decentrale gebruiksregistratie met betrekking tot die patiënt.
Op verzoek van de patiënt moet de zorgaanbieder de door hem in het EPD vastgelegde indexgegevens en/of medische gegevens geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Dit laatste hoeft overigens niet te betekenen dat de medische gegevens ook uit het brondossier van de zorgaanbieder worden verwijderd.
Verplichtingen zorgaanbieders ten aanzien van de patiënt:
- voordat de allereerste indexgegevens worden vastgelegd, zijn patiënt algemene informatie verschaffen over het EPD;
- ook op verzoek van de patiënt deze algemene informatie verschaffen over het EPD;
- bij het verschaffen van deze algemene informatie over het EPD de patiënt wijzen op diens recht om bezwaar te maken tegen deelname aan het EPD;
- de patiënt inzage geven in de door hem in het EPD opgenomen gegevens;
- de patiënt inzage geven in de door hem bijgehouden decentrale gebruiksregistratie met betrekking tot die patiënt;
- op verzoek van de patiënt de in het EPD vastgelegde indexgegevens en/of medische gegevens geheel of gedeeltelijk te vernietigen.
Knelpunten en onduidelijkheden
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is een aantal knelpunten en onduidelijkheden weggenomen maar zijn tegelijkertijd nieuwe vragen gerezen. Ondanks, of dankzij, de kamerbehandeling, bestaan nog steeds veel knelpunten en onduidelijkheden.3 Hieronder volgt slechts een kleine selectie.
De minister heeft regelmatig benadrukt dat het EPD de gegevensuitwisseling in de zorg veiliger en betrouwbaarder maakt dan in de huidige situatie. Onlangs werd echter bekend dat de UZI-pas kan worden gekraakt doordat niet de nieuwste chiptechnologie wordt gebruikt.4 Hoe veilig en betrouwbaar is het EPD dus eigenlijk?
In de kamerstukken wordt de wet steeds uitsluitend van toepassing geacht op het landelijke EPD. De minister is met de Tweede Kamer echter van mening dat de regionale netwerken aan dezelfde eisen moeten voldoen als het landelijke netwerk, inclusief het beschikbaar stellen van loggegevens. Dus zien we nu dat de wet ook (gedeeltelijk) van toepassing is/wordt op regionale systemen. Voor deze systemen is de Wet EPD daardoor plotseling ook van grote betekenis geworden. Dit is een gevolg van het feit dat kamerleden ‘met zijn allen hebben zitten slapen’ tijdens de ontwikkeling van de regionale zorginformatienetwerken.5
Niet geheel duidelijk is wanneer om toestemming voor raadpleging moet worden gevraagd. Het zou bijvoorbeeld voor de hand liggen als een assistente dat mag vragen bij het maken van een (poliklinische) afspraak, zodat de zorgaanbieder het dossier vooraf kan bestuderen. Volgens minister Klink in zijn beschrijving van de werking van het EPD is het echter niet de assistente maar de (waarnemend) huisarts die om toestemming tot raadplegen moet vragen.6
Wat betreft de aansprakelijkheid voor (het gebruik van) het EPD verandert er volgens de minister vrijwel niets. Toch heeft de parlementaire behandeling niet alle onduidelijkheid kunnen wegnemen. Een vraag die aan de orde kwam, is bijvoorbeeld wat de termijn is waarbinnen een zorgaanbieder de gegevens in het EPD van een patiënt geüpdate moet hebben (een dag, week, maand) om gevrijwaard te zijn van aansprakelijkheid. De minister vindt dat eerst een voorbeeld van een onderwerp voor een veldnorm van VWS en de artsenorganisaties gezamenlijk.7 In zijn brief van 19 februari 2009 antwoordt de minister daarentegen stellig dat gegevens in het EPD moeten worden bijgewerkt binnen 24 uur of zoveel sneller als nodig is voor het verlenen van goede zorg. Is dit nu de norm of komt er toch nog een (andere) veldnorm?
Onduidelijk is ook nog of in het EPD zichtbaar zal zijn dat een patiënt (een deel van) zijn gegevens heeft afgeschermd. De minister wil daarover nog het oordeel van het College bescherming persoonsgegevens en de Raad van State vragen.8
Slot:
Op een eHealth conferentie in februari van dit jaar in Praag werd door de Tsjechische minister van Volksgezondheid gesteld dat Nederland met de Wet EPD voorop loopt in Europa.
De praktijk moet uitwijzen of het geen wet van een remmende voorsprong is.
mr. dr. Sjaak Nouwt, beleidsmedewerker gezondheidsrecht KNMG
Correspondentieadres: s.nouwt@fed.knmg.nl
Samenvatting
- De Eerste Kamer is gestart met de behandeling van de Wet EPD.
- Het landelijke EPD bestaat uit een verwijsindex naar brondossiers.
- Via het landelijke EPD is slechts een selectie van gegevens beschikbaar voor andere artsen.
- De Wet EPD heeft ook gevolgen voor regionale zorginformatiesystemen en introduceert nieuwe rechten en plichten voor patiënten en artsen.
- Er bestaan nog steeds juridische en praktische onduidelijkheden rond het EPD.
Referenties:
1. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Voortgangsrapportage elektronisch patiëntendossier. MEVA/ICT-2920502, 25 maart 2009.
2. Kamerstukken II, 2008/09, 31 466, nr. 29.
3. Zie ook de brief van de KNMG aan de vaste commissie voor Volksgezondheid van de Eerste Kamer, d.d. 17 april 2009. Op internet:
http://knmg.artsennet.nl/Dossiers-thematisch/inrichting-en-kwaliteit-van-zorg/Elektronisch-Patientendossier.htm.
4. ‘Invoering medisch dossier ligt stil na kraak pas’. NRC Handelsblad, 1 april 2009.
5. Dit citaat is van de kamerleden Gerkens en Vermeij. Zie Handelingen II, 56, p. 4488 (18 februari 2009).
6. Handelingen II, 2008/09, 45, p. 3923 (22 januari 2009).
7. Handelingen II, 2008/09, 45, p. 3934 (22 januari 2009).
8. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Toelichting wetsbehandeling elektronisch patiëntendossier. MEVA/ICT-2914041, 19 februari 2009.
Wet Marktordening Gezondheidszorg
Bij de totstandkoming van deze nieuwe wet hebben verschillende aspecten een rol gespeeld
 Beperkt kostenbewustzijn
 Informatie achterstand bij de zorgconsumenten
 Schaars aanbod
 Gedwongen vraag
|
Onder zorg wordt verstaan
 de verzekerde zorg op grond van de Wet AWBZ en de ZW
 op individuele patientenzorg betrekking hebbende handelingen op het gebied van de gezondheidszorg door BIG-geregistreerden of BIG-opleiding beschermden
 alle overige werkzaamheden in het kader van deze, in de beroepsuitoefening
|
Informatie voor Werkgevers
In de periode 2000 tot en met 2005 zijn de uitgaven voor de Ziekenfondswet en AWBZ gestegen van € 27,6 miljard naar € 41,5 miljard, wat neerkomt op een gemiddelde jaarlijkse stijging van 8,5%. In 2004 was een opvallend mindere uitgavenstijging te zien als gevolg van uitgavenbeperkende maatregelen, in het bijzonder voor ziekenvervoer, paramedische zorg en mondzorg.
Om fors oplopende uitgaventrends te beteugelen zijn convenanten (en aanverwante 'prestatiecontracten') tussen het ministerie van VWS en veldpartijen de belangrijkste instrumenten. Zij zijn afgesloten voor de farmaceutische zorg, ziekenhuiszorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg en bestrijken gezamenlijk ongeveer € 35 miljard.
Over de afgelopen vijf jaar laat de medisch-specialistische zorg de sterkste stijging zien, maar dat wordt vertekend door de invoering van de DBC's en de bijbehorende financieringsverschuiving van 2006 naar 2005 van € 1,9 miljard. Wanneer dat bedrag buiten beschouwing wordt gelaten, dan komen de grootste uitgavenstijgingen voor rekening van de AWBZ: gehandicaptenzorg (58%), geestelijke gezondheidszorg (50%) en verpleging & verzorging (42%).
De Zorgverzekeringswet
De basisverzekering
Nominale premie
Loongerelateerde premie
Zorgtoeslag
Aanvullende verzekering
Uw keuzes
Leg uw oor te luisteren
|
De basisverzekering
Sinds 1 januari 2006 is er voor iedere Nederlander de basisverzekering. De overheid heeft in grove lijnen bepaald wat verzekeraars in hun basispakketten dienen op te nemen. Het resultaat zijn pakketten vergelijkbaar met het oude ziekenfondspakket. Voor de basisverzekering geldt een acceptatieplicht: verzekeraars mogen niemand weigeren en ze mogen geen hogere premie vragen aan risicogroepen, zoals ouderen of mensen met een aandoening. Iedereen heeft het recht om jaarlijks naar een andere verzekeraar over te stappen.
De verzekeringspremie bestaat uit een nominaal deel en een loongerelateerd deel.
Nominale premie
Iedereen ouder dan 18 jaar betaalt zijn nominale premie zelf. De overheid betaalt de verzekering van kinderen jonger dan 18.
Gemiddeld bedraagt de jaarpremie voor de verplichte basisverzekering in 2007 € 1134,-. Maar de hoogte van de premie varieert: afhankelijk van de verzekeraar, het soort dekking, het gekozen eigen risico. Dat betekent dat u de hoogte van de premie kunt beïnvloeden. Kiest u voor zorg in natura bijvoorbeeld - uw verzekeraar bepaalt dan waar u welke zorg zult krijgen - dan betaalt u minder nominale premie dan waneer u kiest voor een restitutiepolis, die u meer keuzevrijheid biedt. Hieronder leest u meer over uw keuzemogelijkheden.
Het basispakket dat verzekeraars aanbieden, is géén eenheidsworst: er valt wat te kiezen;
De nominale premie is géén door de overheid vastgesteld standaardbedrag; uw keuzes beïnvloeden de prijs die u betaalt.
|
Loongerelateerde premie
De nominale premie dekt ongeveer 45% van de kosten van de basisverzekering. De overheid draagt 5% bij. De resterende 50% komt uit de loongerelateerde premie. De wet bepaalt dat ook de loongerelateerde premie door iedere 18-plusser zélf wordt betaald, maar dat werkgevers verplicht zijn de premie aan hun werknemers te vergoeden. In de praktijk betalen werkgevers deze premie, voor hun werknemers én voor zichzelf. Deze vergoeding valt wel onder de loonheffing.
In 2007 bedraagt de inkomensafhankelijke bijdrage 6,5% van het brutoloon, danwel de winst uit onderneming. Er zit een maximum aan: u betaalt nooit meer dan 6,5% van € 30.015 = € 1.950.
De loongerelateerde premie voor zelfstandigen zonder personeel is lager, namelijk 4,4% (met een maximum van € 1.320).
De premie-inning loopt mee met de loonbelasting.
De hoogte van de loongerelateerde premie wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. Stijgen de zorgkosten in Nederland, dan stijgt ook het percentage dat werkgevers moeten afdragen. Dalen de kosten, dan gaat de werkgeversbijdrage omlaag.
Zorgtoeslag
Een groot deel van de volwassen Nederlanders, naar schatting ruim zes miljoen mensen, komt in aanmerking voor een zorgtoeslag, als tegemoetkoming in de ziektekosten. De zorgtoeslag is er voor:
Alleenstaanden met een inkomen niet hoger dan ongeveer € 25.000,- bruto per jaar; maximaal bedraagt de zorgtoeslag jaarlijks ongeveer € 400,-;
Meerpersoonshuishoudens met een gezamenlijk inkomen niet hoger dan ongeveer € 40.000,- bruto per jaar; maximaal bedraagt de zorgtoeslag jaarlijks ongeveer € 1150,-.
De Belastingdienst kent de zorgtoeslag toe en keert hem uit. Werkgevers spelen daar geen rol in.
Aanvullende verzekering
Wie de basisverzekering te mager vindt – zeker tandheelkundige zorg wordt slechts basaal gedekt – kan zich aanvullend verzekeren. Een aantal zaken moet u in de gaten houden:
Voor de aanvullende verzekering geldt géén acceptatieplicht, verzekeraars mogen kandidaat-verzekerden weigeren of een hogere premie in rekening brengen;
Weigering van mensen met verhoogd risico zal minder voorkomen, naarmate de verzekering voor meer mensen geldt: dat kan een reden zijn om aan te koersen op een collectieve aanvullende verzekering voor u en uw werknemers;
De aanvullende verzekering mag worden afgesloten bij een andere maatschappij dan die waar u uw basisverzekering heeft ondergebracht. Als u na verloop van tijd besluit om met één van uw verzekeringen te switchen, mag uw oude verzekeraar uw achterblijvende polis niet opzeggen. Hij mag wel een hogere premie vragen.
De kosten voor de aanvullende verzekering komen bovenop de nominale premie en de loongerelateerde premie.
LET OP: De werkgever mag nog altijd bijzondere ziektekosten van uw werknemer vergoeden.
Uw keuzes
Hieronder leest u meer over uw speelruimte, toegespitst op twee onderwerpen: kiest u voor gecontracteerde zorg of voor niet-gecontacteerde zorg.
Gecontracteerde zorg
Verzekeraars bieden drie soorten polissen. Of u nu kiest voor een individuele polis of voor een collectieve verzekering , u heeft de keuze uit:
gecontracteerde zorg (zorg in natura)
niet-gecontacteerde zorg (restitutievariant)
een combinatie van beide
Let op: niet íedere verzekeraar zal álle vormen aanbieden. Biedt uw huidige verzekeraar niet het soort zorg dat u zoekt, stap dan over!
Bij gecontracteerde zorg – ook wel zorg in natura genoemd – heeft uw verzekeraar contracten afgesloten met bepaalde zorgverleners (ziekenhuizen, fysiotherapeuten, apotheken, huisartsen etc.) Breekt u een been, dan bepaalt uw verzekeraar waar uw been wordt gezet en welke fysiotherapeut u helpt om het weer als vanouds te laten bewegen.
Het voordeel van gecontracteerde zorg is dat de kosten lager zijn: de verzekeraar is immers groot-afnemer bij specifieke zorgverleners en kan dus een gunstige prijs bedingen.
Het nadeel is dat gecontracteerde zorg minder flexibel is. Zeker wanneer de verzekering geldt voor meerdere mensen met uiteenlopende wensen, kan verplichte winkelnering lastig zijn.
Let op: Ook als u kiest voor gecontracteerde zorg, kunt u in zee gaan met een zorgverlener die geen contract heeft met uw verzekeraar. Vindt u bijvoorbeeld de wachtlijst in het ziekenhuis van uw verzekeraar te lang, dan kunt u op zoek naar een plek waar u sneller wordt geholpen. Uw zorgverzekeraar geeft u ook dán een kostenvergoeding. De wet bepaalt dat die vergoeding niet zo laag mag zijn dat u maar afziet van een behandeling elders. Dat betekent dat de vergoeding redelijk moet zijn, maar u zult vrijwel altijd moeten bijleggen. U mist immers het kostenvoordeel van het contract en de verzekeraar zal de extra administratieve kosten die hij maakt aan u doorberekenen.
|
Niet-gecontracteerde zorgWanneer u kiest voor niet-gecontracteerde zorg – ook wel de restitutievariant genoemd – heeft u recht op vergoeding van de door u gemaakte zorgkosten. U kiest zelf uw ziekenhuis, uw arts, uw fysiotherapeut etc. en stuurt de rekening naar uw verzekeraar. Die mag geen maximum stellen aan het bedrag dat hij vergoedt, maar er zijn wel grenzen. De verzekeraar hoeft niet meer te betalen dan wat binnen Nederland redelijk is voor de behandeling die u heeft ondergaan.
Het voordeel van niet-gecontracteerde zorg is dat u zelf de regie heeft over waar en wanneer en door wie u zich laat behandelen. U koopt vrijheid.
Het nadeel is dat aan die vrijheid een prijskaartje hangt: u zult met een polis voor niet-gecontracteerde zorg vrijwel altijd duurder uit zijn dan wanneer u kiest voor gecontracteerde zorg.
De route van de doktersrekening
Voor welk zorgvorm u ook kiest, u kunt altijd met uw zorgverzekeraar afspreken dat elke betaalde rekening aan u wordt gemeld. Zo houdt u zicht op de kosten die u werkelijk maakt, terwijl uw verzekeraar iedere rekening rechtstreeks betaalt zonder dat u er omkijken naar heeft. Kiest u voor gecontracteerde zorg mét een eigen risico, dan zal de verzekeraar de nota van de zorgverlener volledig vergoeden en u vervolgens een acceptgiro sturen voor het eigenrisicodeel.
|
Een combinatie van gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg
Zeker wanneer u overweegt een collectief contract af te sluiten, zult u met een combinatie van gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg waarschijnlijk het beste aansluiten bij uw wensen en de behoeften.
In uw collectieve polis met gecontracteerde zorg staat dat u in elk Nederlands streekziekenhuis mag worden behandeld. Academische ziekenhuizen worden uitgesloten. Nu ligt uw woonplaats in de buurt van een academisch ziekenhuis en de meeste van de collectief verzekerden van het bedrijf, waar u werkt, staan daar als patiënt ingeschreven. Dus wilt u dat de zorg in dat ziekenhuis binnen de standaardpolis wordt vergoed. Uw werkgever draagt dat ziekenhuis dan aan als uw preferred provider en uw verzekeraar zal het – tegen een meerprijs – opnemen in de lijst van plekken waar u en uw collega's terecht kunnen. Overigens mág dat ziekenhuis weigeren om contract te sluiten met uw verzekeraar en mág uw verzekeraar weigeren dat ziekenhuis te contracteren. Wilt u toch dat de zorg in dat ziekenhuis wordt vergoed, dan valt u terug op een polis met niet-gecontracteerde zorg.
U laat in uw collectieve polis met gecontracteerde zorg opnemen dat de arbo-arts die aan uw bedrijf is verbonden ook huisartsenzorg mag verlenen. Dat kan voordelig zijn wanneer uw arbo-arts toch al regelmatig op uw bedrijf langskomt. Uw werknemers hoeven dan korter te verzuimen voor een doktersbezoek én de arbo-arts hoeft hen niet voor elk wissewasje terug te verwijzen naar hun eigen huisarts. Hij kan bijvoorbeeld zelf een recept uitschrijven.
Ken uw zorgbehoeftes
Onderhandelen over een zorgpolis is onderhandelen voor gevorderden. Om een stevige tegenpartij te zijn voor uw verzekeraar, moet een werkgever goed beslagen ten ijs komen: welke aanpassingen van uw polis acht u strikt noodzakelijk, welke zijn slechts gewenst en welke prijs wilt u er maximaal voor betalen? Welke financiële consequenties calculeert u in? Bijvoorbeeld: hogere poliskosten omdat u een preferred provider aandraagt, maar lagere behandelkosten omdat die specifieke zorgverlener zijn werk altijd uitstekend doet. Breng uw zorgbehoeftes vooraf duidelijk in kaart en zaag de verzekeraars die u om een offerte vraagt stevig door. Stap binnen bij een assurantietussenpersoon (aangesloten bij de NBVA of NVA) en laat u adviseren. En heeft u eenmaal een zorgverzekering, houd dan de vinger aan de pols: kloppen uw vooraannames, heeft u de juiste keuzes gemaakt?
|
Collectief of niet?In de wet is vastgelegd dat mensen die de koppen bij elkaar steken en zich als collectief melden bij een zorgverzekeraar, een korting op hun basisverzekering kunnen bedingen van maximaal 10%. Zo’n collectief kan van alles zijn: de tennisclub, de Consumentenbond, uw bedrijf.
Of een collectieve verzekering iets is voor uw organisatie, is een afweging die u zelf moet maken.
U haalt zich nogal wat op de hals: u moet offertes aanvragen en uitpluizen, voorwaarden wegen en zonodig aanpassen. Als u deelnemers heeft met zeer uiteenlopende behoeftes, zal het lastig zijn een passend pakket samen te stellen. Heeft u die verzekering dan toch eenmaal afgesloten, dan zullen uw deelnemers vaker op u afstappen met vragen over zorg en ziektekosten, dan wanneer zij ieder hun eigen verzekering hebben lopen. Overigens is de mate waarin u gebruikt maakt van zorg (uw ‘schadepercentage’) is in een collectiviteit niet bepalend voor uw korting.
Daar staat tegenover dat u minder geld kwijt bent. Uw deelnemers zullen het waarderen wanneer zij profiteren van de korting en dat biedt u een concurrentievoordeel op de arbeidsmarkt. Bovendien, een collectieve verzekering geeft u meer grip op verzuim en verzuimpreventie, zeker wanneer u uw arbozorg in uw polis inbouwt. Wanneer u uw deelnemersl collectief verzekert, weet u in ieder geval zeker dat ze allemaal goed verzekerd zijn.
Recht om over te stappen
Sluit u een collectief contract af, dan kunt u kiezen voor een meerjarig contract. Het voordeel daarvan is dat uw korting met de jaren oploopt. Maar let wel op dat uw werknemers wettelijk het recht hebben om jaarlijks van verzekeraar te wisselen, zelfs als ze zich hebben aangesloten bij uw collectieve meerjarige contract!
|
Collectief, maar hoe dan?
Uw werkgever mag een collectieve verzekering aanbieden aan de werknemers, maar hij mag ze niet verplichten deel te nemen. Hij mag u wel verleiden om deel te nemen:
Door u te laten profiteren van de korting die hij heeft bedongen (let op:hij moet die korting direct in mindering brengen op uw nominale premie. Wanneer hij, in plaats daarvan, de korting als geldbedrag op uw rekening stort, geldt ze als inkomen. Dus moet er belasting over worden betaald én krijgt u werknemer minder zorgtoeslag);
Door u werk uit handen te nemen: hij houdt de nominale premie meteen in van het salaris bijvoorbeeld;
Door u een extra tegemoetkoming in uw ziektekosten te geven wanneer u zich aansluit. Maar let op, ook dan geldt de aantekening dat die tegemoetkoming telt als inkomen en dus gevolgen heeft voor de belasting en de zorgtoeslag;
Door ook hun partner/gezinsleden tot het collectief toe te laten en te laten profiteren van de korting;
Is uw bedrijf groot genoeg – tien-plus is vaak al toereikend – dan geldt als extra verleider dat de verzekeraar ook voor een eventuele aanvullende verzekering niet zal selecteren en iedereen tegen dezelfde premie zal toelaten, ook de mensen met een verhoogd risico. (NB: dat voordeel moet u natuurlijk wel zelf bedingen tijdens uw onderhandelingen met de verzekeraar).
Tip: Informeer bij uw branchevereniging of die een collectieve verzekering aanbiedt. Wellicht kan uw bedrijf zich daarbij aansluiten.
|
De werkgever, welke besluit om voor zichzelf en zijn medewerkers een collectieve zorgverzekering af te sluiten, kan kiezen uit diverse mogelijkheden:
Een begunstigingscontract. De werkgever is vooral bemiddelaar: de zorgverzekeraar biedt u een polis, noemt zijn prijs en hij onderhandelt met hem over de premiekorting. De hoogte van de bedongen korting én de verdeling ervan tussen werkgever en werknemers wordt in het contract vastgelegd. De werknemers zijn ieder voor zich verzekeringsnemer, dat wil zeggen: zelf verantwoordelijk voor hun premiebetaling;
Een verzekeringscontract. De werkgever onderhandelt met de zorgverzekeraar over de manier waarop het pakket wordt ingevuld, over de premie en de service. Ook hier geldt dat de hoogte van de bedongen korting en de verdeling ervan in uw contract wordt vastgelegd. De werkgever wordt zelf verzekeringsnemer, wat betekent dat u premieplichtig bent;
Volledigheidshalve vermelden wij als derde en vierde mogelijkheid het administratiecontract en het personeelsfonds. Van beide is echter zeer twijfelachtig of ze in de praktijk uitvoerbaar zijn.
Tips voor werkgevers en organisaties:
Informeer bij het aanvragen van offertes altijd of er een minimum aantal deelnemers is vastgesteld voor de collectieve verzekering die de verzekeraar aanbiedt;
Vergeet niet dat ook gepensioneerde ex-werknemers kunnen deelnemen aan uw collectief en zo kunnen meedelen in de bedongen korting.
Leg uw oor te luisteren
Om te voorkomen dat u een collectief contract optuigt waar niemand zich bij wil aansluiten, inventariseert u de behoeftes van uw werknemers:
Willen zij een zo goedkoop mogelijke zorgverzekering?
Hechten zij meer aan keuzevrijheid?
Hebben zij zich al aangesloten bij een andere collectief (de werkgever van de partner, de ANWB, de vakbond, een patiëntenvereniging, …)?
Hoe denken zij over eigen risico?
Die laatste vraag is belangrijk. Afhankelijk van het aanbod van de zorgverzekeraar kunt u kiezen voor een eigen risico van 0, 100, 200, 300, 400 tot 500 euro. Voor iedere verzekerde geldt standaard al een no claim van 255 euro per jaar (In 2008 zal dit veranderen en komt er een eigen risico voor in de plaats). Wie geen gebruik maakt van zorg, krijgt dat volledige bedrag terug aan het einde van het jaar. Maar wie wel naar een zorgverlener stapt, ziet die no claim met elke behandeling – huisartsen-, verloskundige en kraamzorg uitgezonderd – slinken. Dus welbeschouwd is die no claim ook een eigen risico.
24 april 2007 www.consumentenbond.nl
Tussentijds wijzigen polisvoorwaarden is misleidend
De Consumentenbond heeft een Kort Geding aangespannen tegen ONVZ en dit gewonnen. De zorgverzekeraar weigerde de veranderingen in de aanvullende verzekeringen te schrappen. De consumentenbond heeft dit gewonnen.
ONVZ heeft per 15 april de aanvullende verzekeringen flink versoberd. De Consumentenbond concludeert dat bij het tussentijds wijzigen van de polis sprake is van misleiding en rechtsongelijkheid. De consument moet op verzekeraar kunnen vertrouwen, dat vertrouwen wordt door ONVZ geschaad. Klanten zijn met holle beloftes binnengehaald. Bovendien gelden de veranderingen niet voor alle
ONVZ-klanten. Artsen, die als groep bij ONVZ verzekerd zijn, kunnen gebruik blijven maken van de ruimere polisvoorwaarden. Daarmee wordt het solidariteitsbeginsel – waarbij de kosten over alle verzekerden worden verdeeld – doorbroken.
Het gaat om een principekwestie. Bij het overstapmoment rond de jaarwisseling heeft ONVZ met mooie beloftes klanten geworven. Nu, drieënhalve maand later, wordt het pakket plots ‘uitgekleed’. Via de rechter wil de Consumentenbond afdwingen dat ONVZ de oorspronkelijke overeenkomst nakomt zodat klanten krijgen waar ze recht op hebben. Het gevaar bestaat dat als er geen actie wordt ondernomen, andere verzekeraars het – slechte – voorbeeld van ONVZ mogelijk gaan volgen.
Het zorgstelsel lijkt op drijfzand gebouwd als verzekeraars de mogelijkheid hebben om tussentijds de verzekering te beperken. In het nieuwe zorgstelsel heeft de consument een belangrijke rol. Hij moet zich bij de keuze van een zorgverzekeraar laten leiden door kwaliteit én prijs. Uit onderzoek is gebleken dat veel consumenten er bewust voor kiezen de basisverzekering en het aanvullend pakket bij dezelfde verzekeraar onderbrengen.
Na het bekend worden van de plannen van ONVZ, eind maart, ontving de Consumentenbond in tien dagen tijd ruim 600 klachten. De bond heeft meerdere malen aangedrongen op uitstel van de wijzigingen tot 1 januari 2008, het moment waarop consumenten op basis van nieuwe premies en voorwaarden van zorgverzekeraar kunnen wisselen. Vorige week werd een ultimatum gesteld, dat vanochtend is afgelopen. ONVZ wil niet ingaan op de eis van de Consumentenbond, vandaar het kort geding.
|